40 jaar geleden werd zuster Mariani Winingsih vanuit Indonesië naar België gezonden als missionaris. Ze kwam terecht in Leut, bij Maasmechelen. “Op deze plek groeide Elisabeth Gruyters op. Zij stichtte op haar 46ste de congregatie Liefdezusters van de H. Carolus Borromeüs, in Maastricht gekend als de ‘Zusters Onder de Bogen’, nu 188 jaar geleden.” Ze stuurden in die tijd 10 missiezusters naar Indonesië met de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie). De klemtoon van de congregatie ligt op zorg voor armen en uitgeslotenen en aandacht voor de zorg voor mensen.
Zuster Mariani verwelkomt me op een zonnige ochtend in september in de pastorie van Leut, haar werkplek, met koffie en loempia. Fier toont ze haar missiekruis dat ze 40 jaar geleden meekreeg bij haar zending naar het bisdom Hasselt. “Toen ik het hier uitpakte, bleek een arm van Jezus gebroken. Ik herstelde het en voel me sindsdien een arm van Jezus in deze wereld. Ik was de 2de missiezuster, na zuster Caritas, die vanuit onze congregatie van Indonesië naar België werd gezonden. Het voelde bij mij als een grote eer in het geboortedorp van onze stichteres te mogen wonen en werken. Ze inspireert me nog elke dag.”
Wat deed u voordien in Indonesië?
In Indonesië volgde ik een catechetische opleiding en was vanaf mijn 27ste levensjaar actief als catechist, samen met pater Anton, een Nederlandse missionaris. Ons werkterrein was uitgestrekt in de regio Wonogiri, wat bossen en bergen betekent, en telde 18 basisgroepen, staties noemden we dat. De klemtoon van ons werk lag er op catechese en verkondiging. We stonden dicht bij de mensen.
Ik vertaalde er ook de homiliën van pater Anton van het Indonesisch naar het Javaans. Deze laatste taal was beter bekend bij de lokale bevolking. Daar ik altijd veel van muziek heb gehouden, en nog steeds doe, had ik er ook vele koren van vele verschillende leeftijden. Ik geloof steevast dat je met muziek, vooral met korte liederen met een duidelijke boodschap, beter kan verkondigen.
En dan kwam u naar België?
Op mijn 35ste kwam de vraag van mijn overste om naar België te gaan. Met veel verdriet verliet ik Indonesië, maar ook met een blij gevoel dat ik op de plek van Elisabeth Gruyters te mogen werken. Als onderkomen hebben we het rentmeestershuis, het geboortehuis van onze stichteres, bij het kasteel hier in Leut. De kerkklokken brachten ons tot aan de kerk. We dachten toen dat ze luidden als verwelkoming, maar het was voor een uitvaart. We kenden dus snel de weg naar de kerk.
Al snel begonnen we met activiteiten voor de kinderen hier. We begonnen te zaaien, en zie, Jong-Leut, waar wij mee begonnen, bestaat nog steeds en gaat van generatie op generatie verder…
De toenmalige deken van Maasmechelen, Servaas Geelen, gaf me ook een duidelijke opdracht, nl. het zoeken van vrijwilligers om de zorg voor de armen ter harte te nemen. In Lanaken, Dilsen, Maaseik,… waren die er, in Maasmechelen toen nog niet. Niet zo makkelijk, maar met mijn liefde voor muziek lukte het me via een kinderkoor bij hun ouders en grootouders vrijwilligers te vinden voor Sint-Vincentius. Er zijn er nog steeds die eens ze met pensioen gaan, aansluiten bij deze werking voor armen en uitgeslotenen. Ik kwam hier om te zaaien en kijk er wordt nog steeds geoogst.
En van hieruit werd ik ‘gezonden’. Ik was een tijdlang actief in Gingelom, Borlo en Niel. Ik kreeg er heel wat verantwoordelijkheid en mijn liefde voor muziek resulteerde ook daar in een kinderkoor. En via de kinderen bereik je ook hun ouders. Dat was in Indonesië zo, en ook hier in België.
U hebt ook een warm hart voor Missio en was zelfs een tijdlang diocesaan Missio-verantwoordelijke. Hoe verliep dat?
In 1992 riep mgr. Paul Schreurs, de toenmalige bisschop van Hasselt, mij. Hij vroeg me om diocesaan verantwoordelijke voor Missio te worden. Er kwam protest uit Borlo en omgeving. Maar ik heb toch ‘ja’ gezegd, een van onze regels binnen de congregatie.
Ik herinner me nog dat Missio in die tijd Vietnam als land in de kijker koos. Ik leerde een kort lied in het Vietnamees en nodigde ermee de scholen uit in het Pastoraal Informatie Centrum, beter bekend als PIC in Hasselt voor een actie voor Vietnam. Dankzij o.a. ook de hulp van een Vietnamese kok werd het een voltreffer.
Uw werkterrein werd dus groter…
Ja, ik moest in het hele bisdom acties opzetten en werd ook gevraagd voor getuigenissen. Zo moest ik ooit in Berkenbos, een parochie in Heusden-Zolder, tijdens een viering een getuigenis gaan geven. GPS bestond nog niet en met de kaart was ik dus op weg, maar vond de kerk niet, terwijl ik er voor stond. Het bestaat dus in Vlaanderen, een kerk zonder toren. (lacht) En in die viering mocht ik de collecte aankondigen. Ik zei: ‘Laten we er een stille collecte van maken’. En ja, hoor, de mensen hadden begrepen dat ik liever briefjes had dan muntstukken. Het werkte.
En in Hasselt mocht ik ooit in een technische jongensschool aan een panel met vijf missionarissen die over hun ervaringen kwamen getuigen, deelnemen. We zaten vooraan op een rij in een kerk, ik herinner het me nog goed. De andere panelleden waren allen Belgische missionarissen die op vakantie waren. Ik was de enige van buitenlandse herkomst en kwam als laatste aan het woord. Ik had al gemerkt dat de jongens weinig interesse toonden. Wat zou het geven? Ik kwam aan de beurt om mijn verhaal te doen en had klamme handen. Mijn Nederlands was nog niet zo goed en ik verontschuldigde me ervoor. ‘Ik hoop dat jullie me begrijpen’, zo begon ik. En ik vertelde hoe moeilijk het is om als missionaris in een ver land de taal te moeten leren spreken. Het werd muisstil. Ik deed mijn verhaal verder en de jongens luisterden geboeid. Ik vertelde er dat ik met lege handen naar België ben gekomen, maar iets geef dat nergens te koop is, mijn hart en mijn ziel. Ik voelde me door God gedragen om me daar zo te horen spreken. Het was een boeiende ervaring waarbij op het einde enkele jongens me nog wat kwamen verbeteren voor mijn uitspraak. Ze hadden mijn vrees bij het begin begrepen en gaven iets van hen terug: een betere kennis van de taal.
Mijn gitaar vergezelde me ook vaak. Muziek is nu eenmaal een communicatiemiddel voor mij. En zo hoorde ik eens op een speelplaats in Eisden een kindje roepen: ‘Kijk juffrouw, daar is Jezus met een gitaar’. Die juffrouw is nu een van de vrijwilligers bij Sint-Vincentius in Maasmechelen.
Zo kan ik nog vele anekdotes vertellen…
U bent een grote fan van het Sterzingen. Hoe kwam u daartoe?
Als Missio-verantwoordelijke in het bisdom – dat was ik 7 jaar – organiseerde ik ooit in de Limburghal een activiteit voor Missio-kinderen. Van overal, vooral scholen, kwamen ze naar Hasselt afgezakt. Elk continent kreeg een groep kinderen toegewezen met bijbehorende gekleurde linten. Het werd een van de mooiste herinneringen hoe je met kinderen iets kan bereiken. Kinderen overspoelden er de wereld en maakte er een kleurrijk evenement van. Je kan ze echt voor iets warm maken.
En zoals reeds gezegd is zingen voor mij hét middel om te verkondigen. Ik heb vele kinderen met hart en ziel leren zingen. Die gave bracht ik mee uit Indonesië. De stap naar Sterzingen was dus niet groot. Ik weet niet hoeveel sterren we knutselden. Wat ik wel nog weet is dat in het tijdschrift van onze congregatie eens een oproep stond om poncho’s te maken om de kinderen te verkleden. We waren dus klaar om te gaan Sterzingen. Ik schat dat we vandaag nog een 200-tal poncho’s hebben die door Jong-Leut nog steeds gebruikt worden voor het Sterzingen. En ook andere organisaties komen ze wel eens lenen met als enige voorwaarde dat ze proper en droog worden teruggebracht.
We zijn hier vanuit Maasmechelen ook ooit bij koning Albert II met zes kinderen gaan Sterzingen in Brussel, dus letterlijk de koningskinderen op bezoek bij de koning.
U keert binnenkort terug naar Indonesië. Wat betekent dat voor u en voor Leut?
Ik ben hier veertig jaar en nu 75, tijd dus om terug te gaan. We hebben ongeveer 400 zusters in Indonesië. De verantwoordelijke voor de postulanten ginder heeft me reeds gevraagd of ik een handje kan toesteken. Verantwoordelijkheid zal ik er niet meer nemen. Daarvoor ben ik te oud. Maar ik hoop er nog mijn steentje te kunnen bijdragen.
Voor onze werking hier is er opvolging. Zuster Aufrida is reeds 10 jaar hier mijn rechterhand. En onze congregatie stuurt volgend jaar nog zuster Fernanda om haar te helpen.
Op 21 september was er hier een bedankingsviering in de kerk van Leut, voorgegaan door bisschop Patrick. Ik voel dat mijn inzet hier echt gewaardeerd wordt. En op 8 december vier ik hier nog mijn gouden kloosterjubileum. Op 7 januari keer ik definitief terug. Een mooiere datum kon ik me niet wensen. Na het Sterzingen keer ik terug. Ik heb 40 jaar Jezus ontmoet in België en keer, net zoals de drie wijzen, naar huis terug.
Tekst en foto’s: Tom Heylen