Een baken van hoop in Congo

Voor deze laatste Suara van het jaar kozen wij ervoor om een bijzondere vrouw in de kijker te plaatsen: zuster Marie-Christine Harpigny, een vertrouwd gezicht in de Kerk en het verenigingsleven. Met haar gesprek sluiten we 2025 af.

Zuster Harpigny, kunt u zich kort voorstellen?

Mezelf kort voorstellen is een beetje moeilijk omdat ik geen 20 meer ben. Ik nader de pensioengerechtigde leeftijd, wat betekent dat ik een lang en vol leven achter heb. En als God het belieft, kan het nog lang duren. Ik ben Marie-Christine Harpigny en behoor sinds mijn wijding in 2015 tot de cisterciënzerorde. Daarvoor was ik al lekencisterciënzer (Oblaat). In Kikwit (DRC), de plaats waar ik mijn geloften aflegde, werd in 2014 een broederschap van lekencisterciënzers opgericht. Er waren er al enkele in Kivu. Het motto van onze orde is “ora et labora” (bid en werk). Het is deze regel van de heilige Benedictus, onze stichter en geestelijke vader, die we dagelijks proberen na te leven. We zijn geen NGO en delen de overtuiging dat werken zonder gebed niet de verwachte vruchten kan dragen. Daarom besteden we tijd zowel aan gebed als aan arbeid. Het is in deze geest dat alles wat ik onderneem gebeurt onder het aanschijn van de Heer en met het oog op het verbeteren van de levenskwaliteit van de meest behoeftigen.

 

Woont u in België in een gemeenschap of alleen?

In België leef ik meestal alleen, als kluizenaar, met instemming van de bisschop van Doornik. Mijn charisma nù is om als kluizenaar te leven. Het was noodzakelijk toen ik tijdens de Covid-pandemie naar België moest terugkeren. Ik hoop dat Mgr. Rossignol, de nieuwe bisschop van Doornik, deze toestemming zal verlengen. Ik heb mijn privékapel en met de toestemming van de bisschop is het Heilig Sacrament er aanwezig. Ik blijf in contact met mijn klooster, in dit geval de abdij van Notre-Dame de Soleimont in Fleurus, waar ik geregeld heen trek om mijn batterijen op te laden met mijn medezusters. Ik trek me daar vaak in stilte terug. Ik verwelkom ‘in mijn kluis’ ook religieuze vrouwen en mannen die op doorreis zijn, en samen bezoeken we naburige parochies in Frankrijk en België, aangezien ik dicht bij de Franse grens woon.

 

Hoe bent u betrokken geraakt bij kansarme bevolkingsgroepen in de DRC?

Ik heb altijd gewerkt voor kansarmen in België, maar ook in bewegingen zoals Moc (Mouvement des Ouvriers Catholiques – KWB), Cefoc (Centre de Formation Cardijn), Young Christian Workers, waar ik priesters heb ontmoet die bij de bevrijdingstheologie aanleunde. Arthur Buekens, een bevriend priester, stuurde me naar Notre-Dame de Scourmont in Chimay. Ik was namelijk graag actief, maar miste de dimensie van het gebed. Ik ontmoette er broeder Armand Veilleux. Hij was het die me inwijdde in dit cisterciënzercharisma dat ten dienste kan worden gesteld van kansarmen. Hij was ook degene die me in 2007 of 2008 naar Kameroen stuurde, waar ik mijn eerste buitenlandse ervaring opdeed, dus ook mijn eerste ervaring op Afrikaanse bodem. Het was niet gemakkelijk, want we waren met 5 zusters in een klooster midden in een bos, in het dorp Obout. Er was daar meer dan armoede, er heerste echt ellende, hongersnood, leven zonder water, elektriciteit, geld,… Ik kende vanuit mijn ervaring enkel armoedeprojecten, waar ik zelfs mee naar de politiek trok. Maar in Kameroen was het een verpletterende ervaring die mijn roeping om de meest kansarmen te dienen letterlijk bevestigde, zelfs versterkte.

Onze abdis Hortense was Congolees. Een jaar na mijn aankomst werd ze aangesteld in Kivu, waar ik haar volgde en 3 jaar verbleef. We moesten wennen aan het leven in oorlogsgebied waar mensen werden afgeslacht, voor mij een lastige levensfase. Die ervaring geeft je een andere kijk op leven en geloof. Het zet je met beide voeten op de grond, als een klein sterfelijk wezen. Het was moeilijk om onder deze omstandigheden projecten op te starten. Ik moest wachten tot ik in 2014 naar Kikwit trok om echt projecten in de DRC te lanceren. Ik heb er tien jaar doorgebracht in een cisterciënzergemeenschap, en zorgde voor verschillende activiteiten met de armen.

Helaas moest ik met de komst van Covid-19 terugkeren naar België en het was echt een verschrikking om alleen te moeten leven, na jarenlang in gemeenschappen in Afrika te hebben gewoond en met kansarmen te hebben samengewerkt. Het was in deze omstandigheden dat ik het charisma van een kluizenaarsleven ontdekte, want alles was gesloten, geen Mis meer, helemaal niets.

U heeft twee verenigingen opgericht. Hoe ging dat in zijn werk?

Met mensen van goede wil, en op advies van de apostolische nuntius in Kinshasa, hebben we twee verenigingen opgericht, een in de DRC en een in België, om de inzameling en het beheer van fondsen te vereenvoudigen, evenals de overdracht ervan naar projecten. Het gaat om volgende verenigingen:

– De non-profitorganisatie “Health Education”, een subgroep van de Commissie voor Rechtvaardigheid en Vrede van het bisdom Kikwit (DRC), opgericht in augustus 2015. Toen onder gezag van bisschop Mununu, ook een cisterciënzer en nu onder het gezag van bisschop Bodika, een pater en huidig bisschop van Kikwit.

– De feitelijke vereniging “Gezondheidseducatie” in België, opgericht in maart 2023, erkend door het gemeentebestuur van Erquelinnes. Het doel is om kansarmen en kwetsbaren in de DRC te helpen. Een kleine bemerking hierbij is dat de erevoorzitter een persoon met het syndroom van Down is met grote inzet voor de zwaksten.

 

U vertrok naar DRC. Hoe werd u daar ontvangen?

Het is altijd heel verrassend voor de mensen daar om een kleine, blanke vrouw alleen van boord te zien stappen, en vooral haar comfort in Europa op te geven om het op te nemen voor mensen in nood. Geregeld krijg ik de vraag: “Maar wat doe je hier, als je daar alles hebt?”

Ik moest beginnen met tijd te nemen om de cultuur daar te begrijpen en de manier waarop mensen hun geloof beleven, dat anders is dan het onze, tot mij te laten doordringen. Ik moest me ook ontdoen van alle vooroordelen, me laten voeden door het geloof en de hoop van deze mensen, die niets hebben maar blijven bidden en getuigen van een levensvreugde die voor velen van ons in Europa onbegrijpelijk is. Jammer dat ik deze levensvreugde niet in België ervaar. Het ontgoochelt me hier vaak als ik naar feesten of ceremonies ga en mensen naar de grond zie staren.

Toen ik naar Afrika ging, zei ik tegen mezelf dat mijn geloof op de proef zou worden gesteld vanwege de moeilijke levensomstandigheden daar. Net het tegenovergestelde gebeurde: hun geloof en hoop versterkten het mijne en stelden me in staat om met mijn voeten op de grond te blijven staan. Hier in België is het echt moeilijk. Gelukkig heb ik mijn kluizenaarsleven dat me in staat stelt om dagelijks te bidden en geloof en hoop te behouden.

 

Concreet, hoe geeft u deze arme bevolkingsgroepen in de DRC hoop?

De eerste verwezenlijkingen hadden betrekking op drinkwater, dat in sommige regio’s van de DRC, zoals Kikwit, een zeldzaam maar essentieel goed is. Toen ik op een dag zag dat we een varken gingen wassen op een plek waar mensen water gingen halen om te drinken, zei ik tegen mezelf: “We moeten ingrijpen!” Dit werd het begin van het boren van 4 waterputten. Daarna volgde de bouw van een opvangcentrum voor straatkinderen die een veilig onderkomen nodig hadden. Hiervoor ging ik “smeken” bij de Italiaanse bisschoppenconferentie, die ons genoeg schonk om een groot multifunctioneel centrum te bouwen. Dankzij Proma konden we 300 stoelen aankopen. Het is nu een centrum met o.a. een kleine apotheek en een grote zaal voor vele activiteiten zoals feesten, maaltijden voor 500 armen met Kerstmis, samen voetbal kijken op groot scherm, kinderopvang tijdens schoolvakantie,… Alles gebeurt er zonder hiërarchie. Ik noem het wel eens een sociale smeltkroes. Dit centrum genereert ook inkomsten, door verkoop van drank, lokale producten, een tweedehandsmarkt,…

Dit gebouw is eigendom van het bisdom Kikwit. Al onze projecten trouwens, staan onder bisschoppelijk toezicht, aangezien we ter plaatse werken als een afdeling van Rechtvaardigheid en Vrede, volgens onze statuten vermelden.

In feite stelt dit centrum ons in staat te bereiken wat we proberen te doen in overeenstemming met onze spiritualiteit. Het is namelijk een schakel tussen ons monastieke leven en de samenleving waar voedsel, werk, ontspanning en gebed elkaar ontmoeten.

Om meer te weten te komen over onze projecten en hoe we werken, verwijs ik naar onze website: https://www.educationsantebelgiquerdc.com

Wat zijn de precieze banden tussen uw vereniging in de DRC en deze in België?

De vereniging in België zamelt geen geld in voor de vereniging in DRC. Het geld dat in België wordt gecollecteerd, wordt gebruikt om projecten rechtstreeks te financieren. Op dit moment bijvoorbeeld, dankzij de fondsen die in België zijn ingezameld, steunen we de studie van een arme maar zeer dynamische cisterciënzerleek in de DRC.

 

Keert u vaak terug naar de DRC?

Ja, ik ben begin dit jaar teruggekeerd uit België. Mijn ‘kluis’, aan renovatie toe om de gasten beter te kunnen ontvangen, heeft me eigenlijk ‘teruggeroepen’ uit Afrika. Maar ik ben van plan om zo snel mogelijk terug te keren om onze projecten in Kikwit, in Kivu en nu ook in Kasaï op te volgen.

Specifiek in Kasaï hebben we, met de hulp van Caritas, twee waterputten gebouwd en herstellen we een basisschool. Twee jaar geleden ontfermden we ons over moeders die verkracht werden. Wat me geruststelt en verheugt, is dat alle projecten doorgaan, zelfs tijdens mijn afwezigheid. We houden contact via WhatsApp.

In Kivu wordt schoolgeld betaald voor kinderen die in kampen voor ontheemden wonen. Er vielen vele doden bij het recente geweld in de regio.  We hebben nog vele dromen, maar weten niet wat de toekomst in petto heeft. We dachten bijvoorbeeld aan de aanleg van een voetbalveld, maar alles blijft onzeker.

 

Wat maakt u blij aan uw inzet in DRC? En wat stemt u bedroefd?

Als bisschop Bodika naar België komt, komt hij me altijd groeten en zegt: “Weet je, de armen zijn ginder, ze vragen naar je, ze vragen: ‘Maar wanneer komt Christine terug?’ ” Deze dankbaarheid raakt me in mijn hart. Ook de vruchten van de kansen die we o.a. Maximilien, van de vzw Éducation Santé in Kikwit, geven worden concreet. Hij rondt zijn bachelor af, na een volgehouden steun bij het beëindigen van de middelbare school. Zijn diploma geeft hem kansen.

Velen waren sceptisch bij de projecten die we opzetten, maar dankzij inzet van velen worden ze gerealiseerd ook na mijn terugkeer naar België. Het geeft me een boost om verder te doen. Ze dachten dat mijn afwezigheid het einde zou betekenen. Ik ben blij dat ik mensen verantwoordelijkheid heb gegeven. Bij elke opstart van een project hebben we als een team gewerkt en werd de lokale bevolking betrokken bij alle fasen, elk naar eigen mogelijkheden. Zij kennen als de beste hun noden. Ik heb moeten leren luisteren naar hen en in hen leren geloven. Mijn vooroordelen heb ik overboord gegooid.

Wat mij droef stemt, is in de eerste plaats het feit dat sommige Europeanen nog steeds kolonisten zijn, die de ellende van deze lokale bevolking uitbuiten. Sommigen van hen komen naar hier met de ingesteldheid: ‘Weet je, je kunt geld verdienen?’ Zo bijvoorbeeld oude computers opsturen wetende dat hun levensduur erg kort is. De mensen verdienen goed materiaal. Ook de hoge kostprijs van vliegtickets naar Afrika ergert me. Het is geld dat ik liever naar de armen zie gaan.

 

Wat zijn vandaag de belangrijkste uitdagingen voor u?

Ik hoop echt dat de Kerk in België zich ervan bewust wordt dat we onze zusterkerken in nood moeten ondersteunen. We worden vaak gezien als bedelaars als we om financiële hulp vragen. Dat zijn we niet. Ik hoor wel eens: “Ah, ze komen alleen voor geld!” Wij komen inderdaad om geld, maar vooral om mensen een waardig bestaan te kunnen geven. Erken de waardigheid en noodzaak van onze inzet.

Aan de andere kant zijn we erg blij om hier priesters uit o.a. Afrika te hebben want zonder hen zouden vele kerken moeten sluiten. Daarom is het belangrijk om te begrijpen dat men tot een universele Kerk behoort, en niet alleen tot zijn eigen kleine parochie om de hoek. We leven niet op een eiland. Ik droom van een meer missionaire en hoopvolle Belgische Kerk.

 

Een laatste woord aan onze lezers?

Ik ben nooit teleurgesteld geweest door Missio – Pauselijke Missiewerken omdat ze altijd dicht bij de armen zijn geweest, bij de favorieten van Jezus, met de missionaire geest die elke christen moet bezielen. Zoals paus Franciscus eens zei, is Missio geen NGO. Het is echt een missie, een opdracht van de Kerk, waarbij ik alle gedoopten uitnodig haar te steunen. Ik hoop ook dat we priesters van elders zullen blijven vinden die ons enorme diensten bewijzen met hun levensvreugde, hun glimlach, hun hoop.

 

Emmanuel Babissagana