In het evangelie van vandaag zien we Jezus in gebed. Hij brengt de hele nacht door in gemeenschap met de Vader, en vanuit dat gebed kiest hij zijn eerste twaalf missionarissen. Onder hen bevinden zich twee apostelen waarover we relatief weinig weten: de heiligen Simon en Judas. Ze vallen niet op in de evangelieverhalen. Er zijn geen woorden van hen opgetekend. Toch worden ze uitgekozen, bij naam genoemd en door Jezus belast met de opdracht om Zijn koninkrijk te verkondigen.
Let eens op wie Jezus kiest. Hij wendde zich niet tot de ascetische Farizeeën, die hun hele leven wijdden aan het zo volmaakt mogelijk naleven van de wet. Hij wendde zich tot gewone mensen. Hij ging naar kades en belastingkantoren, vond mensen onder vijgenbomen en riep degenen bij zich die als slechte privédetectives hem volgden om erachter te komen waar hij woonde.
God koos de zwakken, zodat het duidelijk zou zijn dat de missie zijn werk is, niet het onze. Wat telt is niet wereldse status of opleiding, maar trouw. Jezus koos de apostelen niet omdat ze gekwalificeerd waren als bijbelgeleerden of krachtige redenaars. Hij riep hen zodat ze bij Hem zouden zijn, van Hem zouden leren, en stuurde hen vervolgens uit om over Hem te verkondigen (Mc 3, 14).
Elke christen wordt in de eerste plaats geroepen om bij Christus te zijn, om in gemeenschap met Hem te treden, en vervolgens samen met Hem uitgezonden te worden. Ook wij zijn de vrucht van het Onze Vader, bij naam geroepen om zijn leerling te zijn en door Hem gemandateerd om uitgezonden te worden.
Paulus beschrijft in de eerste lezing de Kerk als “gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als sluitsteen”. Dit is niet alleen een uitspraak over het verleden. Het is een levende werkelijkheid. Het geloof dat wij hebben ontvangen, is tot ons gekomen door het getuigenis en het werk van de apostelen – waaronder Simon en Judas, die hun leven hebben gegeven in dienst van het evangelie en die vanuit de hemel hun werk voor de Kerk verderzetten.
Maar we moeten voortbouwen op de fundamenten die zij zelf hebben gelegd op Christus, de sluitsteen, en Petrus, de rots. De heiligen Simon en Judas hebben uiteindelijk hun leven voor Christus gegeven door het martelaarschap. Nu is het onze beurt om ons leven te geven als getuigenis.
Paus Benedictus XVI zei in zijn boodschap voor de Wereldmissiezondag van 2006: “De opdracht om de boodschap van deze liefde te verspreiden werd door Jezus na zijn verrijzenis toevertrouwd aan de Apostelen, en de Apostelen, eenmaal innerlijk omgevormd (getransformeerd) door de kracht van de Heilige Geest op de dag van Pinksteren, begonnen getuigenis af te leggen van de gestorven en verrezen Heer. Vanaf dat moment zet de Kerk deze zelfde zending (missio) voort, die voor alle gelovigen een verplichting vormt waar zij zich niet aan mogen onttrekken en die blijvend is.”
Paus Johannes Paulus II spoorde ons in zijn missieboodschappen aan om te vertrouwen op dezelfde Heilige Geest die hen moed gaf. „Het vuur van de apostelen”, schreef hij in 2003, “mag niet verflauwen, zeker waar het gaat om de missie ad gentes.” In 1996 benadrukte hij: “Net zoals de Geest de eerste groep leerlingen heeft veranderd in moedige apostelen van de Heer en verlichte verkondigers van Zijn woord, blijft Hij ook in onze tijd getuigen van het evangelie voorbereiden.”
Ieder van ons is bij naam geroepen, net zoals Simon en Judas dat waren. Ieder van ons heeft een plaats in de Kerk, een rol in haar missie, een manier om in de omstandigheden van ons leven getuigenis af te leggen van Christus, en de gave van de heilige Geest om ons te sterken. Moge die heilige Geest ons helpen om tot het einde toe trouw en vruchtbaar te zijn, net als de heiligen die we vandaag vieren.