Bijbelse meditatie voor 5 oktober

27e week door het jaar – Even Jaar

Gal 1, 6-12  |  Ps 111  |  Lc 10, 25-37

Het andere evangelie dat Paulus in zijn brief aan de Galaten aan de kaak stelt als een verraad aan het ware evangelie van Jezus, bestaat uit de overtuiging dat heidenen niet in de christelijke gemeenschap konden worden opgenomen tenzij zij eerst de besnijdenis aanvaardden en zich ertoe verbonden de wet van Mozes na te leven. Voor Paulus is dit niet het geval: een heiden moet in zijn menselijke werkelijkheid worden aanvaard zonder discriminerende voorwaarden, want alleen Jezus is de bron van het heil.

In de evangelietekst behandelt Jezus een soortgelijk thema in een dialoog met een wetgeleerde. Deze man had Hem gevraagd wat hij moest doen om het eeuwige leven te verwerven, en Jezus was het met hem eens dat men het gebod moet naleven dat de liefde voor God boven alles staat en de liefde voor de naaste zoals deze is voor jezelf. Daarop stelde de wetgeleerde Hem een andere vraag: “En wie is mijn naaste?” Als antwoord vertelt Jezus hem een gelijkenis die in wezen een gebeurtenis uit het echte leven is: iemand werd aangevallen door rovers, die hem beroofden en hem halfdood achterlieten aan de kant van een verlaten weg.

Eerst kwam er toevallig een leviet langs en daarna een priester, maar zij stopten niet – vervolgens kwam er een Samaritaan langs die de ongelukkige man de nodige hulp bood. Dit was een daad van menselijkheid, maar het onthult ook een tegenstrijdigheid: de eerste twee waren religieuze mensen voor wie de gewonde man, als jood, hun naaste had moeten zijn, maar zij erkenden hem niet als zodanig. Voor de Samaritaan daarentegen was hij geen naaste, maar een vreemde, aangezien hij tot een ander, vijandig en rivaliserend volk behoorde  –  door zich om hem te bekommeren, wordt hij zo zijn naaste.

De interpretatie is duidelijk: liefde mag niet alleen gericht zijn op mensen met wie men familiebanden, vriendschap of gemeenschappelijke belangen heeft, maar moet in zich openstaan voor iedereen in nood. Zo hebben missionarissen de leer van de Heer geïnterpreteerd: zij hebben ontdekt hoe zij naasten konden worden voor verre en onbekende mensen, door hen alle hulp te bieden die zij konden, en elke discriminatie weg te nemen die voortkwam uit verschillen in etniciteit, taal en cultuur.

Het voorbeeld van de missionarissen is vandaag de dag bijzonder relevant voor christenen in onze huidige gemeenschappen, die geroepen zijn om vele verre mensen – die, gedreven door armoede en oorlogen, onze kusten hebben bereikt – te erkennen als naasten die bemind moeten worden.

Zending is een voortdurend uitgaan vanuit zichzelf, een reis die grenzen doorbreekt, barrières overstijgt en het evangelie brengt waar de mensheid gewond is (Paus Franciscus, Boodschap voor de Wereldmissiezondag 2022). Op deze manier wordt de Kerk een open huis, een ontmoetingsplaats waar verschillende volkeren elkaar als zusters en broeders erkennen.