De honderdste verjaardag van Wereldmissiezondag (1926–2026) is veel meer dan alleen een jubileum. Het is een feest, een zegen, dat wil zeggen, een tijd van genade, herinnering en vernieuwing. Het nodigt ons uit om met dankbaarheid terug te blikken naar het bewandelde pad. We zochten en vonden van elk jaar een visueel beeld hoe Missio / Pauselijke Missiewerken deze zondag aankondigde in België.
Wereldmissiezondag gaat sinds de eerste editie in 1926 gepaard met publieke campagnes die de zichtbaarheid van het initiatief vergroten en het kerkpubliek tot deelname bewegen. Met name de affiches laten toe om vandaag de balans op te maken van honderd jaar beeldvorming over missie.
Wie een blik werpt op de affiches uit de beginjaren, merkt meteen hun eerder algemene of zelfs abstracte karakter. Dat hoeft niet te verbazen: de acties richtten zich immers niet tot een specifiek missiegebied, maar dienden ter ondersteuning van de Propaganda Fide van de Romeinse Curie. Dat leidde in ontwerpen als die van 1936, 1951 en 1956 weliswaar tot stereotiepe weergaven van personen uit de verschillende continenten – als verbeelding van het wereldwijde missiewerk – toch verschillen ze in dat opzicht van heel wat propaganda verspreid door de missionerende congregaties zelf. Zeker in de koloniale periode voerden daarin paternalistische en racistische beeldvorming vaak op meer nadrukkelijke wijze de boventoon.
Ook de kenmerkende focus bij Wereldmissiezondag op het stimuleren van giften beïnvloedde het karakter en de iconografie van de campagnebeelden. Zo worden bidden en doneren letterlijk met elkaar vervlochten in het ontwerp voor de editie van 1927 (die een collectebus toont met daarrond een rozenkrans), wordt de aarde voorgesteld als spaarpot (1928, 1949) of zien we een figuur om een gift vragen (1950). Opvallend is de campagne van 1957, waarin de missionarisfiguur wordt verbeeld als het doorgeefluik van schenkingen (weergegeven als een wassende stroom van munten en biljetten) en gebeden (ook hier is de rozenkrans van de partij). Diende de illustratie louter zijn rol als mediator in de verf te zetten, of moest ook de betrouwbaarheid van de transactie, bij gebrek aan een concrete bestemming, visueel worden benadrukt?

De globale dekolonisatiegolf van de jaren 1960 had een fundamentele impact op de relatie tussen de oude metropolen en de missiegebieden in de gewezen kolonies, die plaatsmaakten voor lokale kerkelijke structuren. Daar waar de campagnes in de voorgaande periode opriepen tot ‘meebouwen aan Gods wereld- en vredesrijk’ en de ‘voortplanting van het geloof’, verdween dergelijk taalgebruik aan het begin van de jaren 1960 abrupt. Bij gebrek aan een koloniaal kader dat de aanwezigheid van westerse evangelisering legitimeerde en ondersteunde, klinkt de slogan ‘En de dorst naar God… Wie zal die lessen?’ (1961) als de existentiële vraag van een kerkelijk instituut dat zijn missiewerking noodgedwongen moest herzien. Niet de missionaris van de oude school lijkt het antwoord te zijn geweest, maar wel lokale roepingen (1962), plaatselijke catechisten (1963) en onafhankelijke kerkelijke structuren (1966).
Die ‘nieuwe kerken’ kregen een prominente plaats in nagenoeg alle campagnes van de jaren 1970. Daarnaast werd ook aansluiting gezocht met het discours over internationale solidariteit (1970), rechtvaardigheid (1973) en interculturele contacten (1978) dat toen de katholieke derdewereldbewegingen typeerde. Deels in het verlengde daarvan focusten de affiches van de jaren 1980 en 1990 opvallend sterk op de figuur van Christus, die werd opgevoerd als een tastbaar voorbeeld van medemenselijkheid.
Eveneens in tandem met bredere maatschappelijke ontwikkelingen verdwenen rond de millenniumwisseling expliciete religieuze referenties haast volledig naar de achtergrond en ruimden ze plaats voor boodschappen van vrede en interculturele ontmoeting. Tot, opvallend genoeg, in 2025 en 2026 ‘missionarissen’ en ‘missie’ opnieuw hun intrede maakten in het vocabularium. Hetzij met een heel andere invulling.
Jonas Van Mulder (KADOC-KU Leuven)