In het evangelie van vandaag komen mensen naar Jezus met verontrustend nieuws over een bloedbad in de tempel, waar Pontius Pilatus enkele mensen had laten doden die daarheen waren gegaan om offers te brengen. Ze zochten een verklaring – misschien hoopten sommigen hem tegen Pilatus en de Romeinen op te zetten – maar Jezus geeft geen verklaring. In plaats daarvan verlegt hij de aandacht en vraagt of degenen die stierven grotere zondaars waren dan degenen die gespaard bleven.
Hij beantwoordt zijn eigen vraag met: “Volstrekt niet!” Hij gaat nog een stap verder door te zeggen dat de achttien die waren omgekomen toen de toren van Siloam tragisch op hen was ingestort, niet vervloekt waren of zwaarder schuldig aan zonde dan degenen die nog in leven waren.
Vervolgens zei hij iets direct en verontrustends: “Ik zeg u: als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.” Hij bedoelde niet dat ze allemaal zouden omkomen bij een willekeurige aanslag of een bizar ongeluk, maar dat ze, zonder bekering, allemaal onvoorbereid zouden sterven.
Hij versterkt deze oproep tot bekering met een gelijkenis over een vijgenboom. Drie jaar lang zocht de eigenaar vruchten en vond er geen. Normaal gesproken geldt dat als een vijgenboom in het derde jaar nog geen vruchten draagt, hij dat nooit meer zal doen. Toch krijgt de boom nog één jaar de tijd om te worden bewerkt, verzorgd en alle kans te krijgen om vruchten te dragen, in de hoop dat het misschien toch nog lukt.
Het is een beeld van Gods barmhartigheid en geduld. Het is ook een boodschap van zijn verwachting dat wij vrucht zullen dragen. Die vrucht kan niet louter worden opgevat als algemene daden van geloof, hoop en liefde, maar net zoals vijgenbomen vijgen voortbrengen, zo moeten christenen christenen voortbrengen.
In de eerste lezing van vandaag herinnert Paulus ons eraan dat Christus gaven aan zijn Kerk heeft geschonken “om de heiligen toe te rusten voor het werk van de bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus”. Ieder van ons heeft iets van de Heer ontvangen, niet alleen voor onszelf, maar opdat de Kerk mag groeien en tot wasdom komen.
Vrucht is niet louter persoonlijke verbetering. Het is een leven dat, net als dat van Christus en de heiligen, bijdraagt aan de geestelijke groei van anderen en de Kerk versterkt.
Paulus had dit al veel eerder ingezien: bekering betekende voor hem niet alleen dat hij moest stoppen met het vervolgen en doden van christenen en dat hij persoonlijk het geloof moest belijden. In plaats daarvan schreef hij: “De liefde van Christus laat ons geen rust, sinds wij hebben ingezien, dat Een is gestorven voor allen. Maar dan zijn allen gestorven! En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen.” (2 Kor. 5, 14-15).
Voor ons betekent bekering dus niet alleen het afleren van slechte gewoonten en het aanleren van goede. Het betekent niet langer voor onszelf leven, maar leven voor Christus en voor datgene waarvoor Christus leefde en stierf: de verlossing en heiliging van anderen. Het betekent de missie die Christus ons heeft gegeven serieus nemen en ernaar streven vrucht te dragen die blijvend is. Net zoals een wijnstok geen vrucht draagt zonder de ranken, zo kan Christus, de Wijnstok, geen vrucht dragen zonder de Kerk, zonder jou en mij (Joh. 15, 1-8).
Het eerste wat we dus moeten doen om vrucht te dragen en de les van de vijgenboom te leren, is in Christus blijven. En paus Leo herinnert ons er in zijn boodschap voor de Wereldmissiezondag 2026 aan: “Christen-zijn is … een leven in verbondenheid met Christus. … Het betekent in Christus blijven zoals ranken aan een wijnstok diepgeworteld in het leven van de Drie-eenheid.”
De tweede les is dat als we werkelijk in Christus blijven, we vrucht zullen dragen. Paus Johannes Paulus II schreef in zijn boodschap voor de Wereldmissiezondag van 1991: “Alleen wie in Christus is geënt, zoals de ranken in de wijnstok, kan veel vrucht voortbrengen”, en hij zegt dat dat het geheim is van de vrucht van de grote missionarissen en van al diegenen die hen ondersteunen door gebed en opoffering.
Jezus heeft de grond met zorg bewerkt, opdat wij overvloedige vrucht zouden dragen. Laten we bidden dat wij en onze broeders en zusters in de Kerk niet zullen zijn als onvruchtbare vijgenbomen, maar juist de tijd die ons gegeven is zullen benutten om zoveel mogelijk vrucht voor Hem te dragen. Op die manier zullen we, wanneer ons aardse leven ook eindigt, niet onverwachts worden overvallen, maar de Heer bij Zijn komst tegemoet treden met voortdurende bekering en apostolische vruchtbaarheid.