In het evangelie van vandaag komen enkele farizeeën naar Jezus toe met een waarschuwing: “Vlucht, ga hier vandaan, want Herodes wil U vermoorden.” Maar Jezus laat zich niet afschrikken. “Gaat aan die vos zeggen”, antwoordde hij, „Zie, Ik drijf duivels uit en Ik bewerk genezingen vandaag en morgen en op de derde dag komt voor Mij de voltooiing.” Jezus is duidelijk over wie hij is en wat zijn missie is, en hij laat zich niet door angst van zijn koers afbrengen. Vrij en vastberaden gaat hij verder en voltooit hij het werk dat de Vader hem heeft toevertrouwd.
In de eerste lezing spoort Paulus de christenen in Efeze en ons allen aan om ‘kracht te putten uit de Heer en uit zijn machtige kracht’ en om ‘de wapenrusting van God aan te doen’, zodat we standvastig kunnen blijven. Het christelijke leven, en de missie die daaruit voortvloeit, gaat gepaard met een echte strijd – niet alleen tegen degenen die we kennen en die zich tegen ons verzetten, maar vaak ook tegen onzichtbare en duivelse krachten die erop uit zijn het geloof te verzwakken, verdeeldheid te zaaien en ons te ontmoedigen. Jezus kwam om die demonen uit te drijven, ons te genezen en ons te helpen deel te hebben aan de vervulling van zijn doel “op de derde dag”, de dag van zijn verrijzenis.
Ondanks Jezus’ vastberadenheid, zijn machtige kracht en zijn geestelijke wapenrusting had hij echter nog steeds een menselijk hart dat klopte van menselijke en goddelijke liefde. Daardoor kon hij gekwetst worden, en we zien zijn verdriet later in het evangelie van vandaag. Jezus kijkt uit over Jeruzalem en klaagt: “Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar gij hebt het niet gewild.”
Hij kwam om te redden, maar velen verwierpen zijn verlossingswerk. Hij kwam als licht, maar velen gaven, zoals Johannes beschrijft, de voorkeur aan de duisternis. Hij kwam als de vleesgeworden Liefde, maar velen weigerden zich van hun afgoden te bekeren en in ware liefde te geloven. Jezus stond niet onverschillig tegenover deze afwijzingen. Net als een moeder of vader wiens kind de ouderlijke liefde afwijst, geeft Jezus te veel om ons om er onverschillig tegenover te staan.
Jezus probeerde ons voor te bereiden op soortgelijk verdriet, afwijzing en zelfs vervolging en martelaarschap. Hij vertelde ons dat sommigen zouden weigeren het evangelie te aanvaarden, dat sommige familieleden ons zouden verstoten en verraden omdat wij Hem op de eerste plaats zetten, dat sommigen ons zouden haten en allerlei laster tegen ons zouden uitspreken, dat anderen ons voor burgerlijke en religieuze autoriteiten zouden slepen en dat weer anderen zouden denken dat zij God dienden terwijl zij ons doodden.
Maar Hij vertelde ons ook wat we moesten doen en waarom Hij dit zou toestaan. Hij leerde ons de afwijzing van ons af te schudden en naar het volgende dorp te gaan, niet om onze wonden te verzorgen, maar om het Goede Nieuws te verkondigen. Hij vertelde ons dat ons lijden ons een preekstoel zou geven waar we, samen met de heilige Geest, een veel krachtiger getuigenis zouden kunnen geven dat Hij het waard is om voor te leven en te sterven, en dat we Hem zelfs verkiezen boven ons aardse leven. En Hij sterkt ons met de wapenrusting van God om trouw te blijven in het strijden van de goede strijd van het geloof en het geloof te bewaren door het door te geven.
We zien dat in de eerste Kerk twee dingen hebben bijgedragen aan de bekering van het Romeinse Rijk. Het eerste was het voorbeeld van christelijke naastenliefde. Het tweede was het getuigenis van de martelaren: dat verstandige mensen uit liefde voor Jezus – die eerder Zijn leven voor hen had gegeven – moedig bereid waren sadistische martelingen en executies te ondergaan, omdat zij geloofden dat zij na hun dood voor eeuwig met Hem zouden opstaan. Soms is de krachtigste manier om degenen te bekeren die hardnekkig het evangelie niet willen aanvaarden, dat christenen laten zien hoeveel zij uit liefde bereid zijn te verdragen.
Paus Franciscus sprak in zijn eerste boodschap ter gelegenheid van de Wereldmissiezondag met bewondering over de moed die nodig is om leerlingen en apostelen te zijn. “Ik zou nog een gedachte willen wijden aan de Christenen die in verschillende delen van de wereld in moeilijkheden verkeren, wanneer zij hun eigen geloof belijden en het recht om het waardig te beleven erkend willen zien”, schreef hij in 2013. “Zij zijn onze broeders en zusters, moedige getuigen – nog talrijker dan de martelaren in de eerste eeuwen – die met apostolische volharding de verschillende huidige vormen van vervolging verdragen. Niet weinigen riskeren ook hun leven door trouw te blijven aan het evangelie van Christus. … Ik herhaal tot hen de troostende woorden van Jezus: ‘Hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen’ (Joh. 16, 33).”